De omgeving van San Gil staat bekend om de extreme sporten die hier beoefend kunnen worden. Wij besluiten te gaan raften op een snelstromende rivier in de buurt. ’s Ochtends worden we om 9 uur opgehaald door een busje dat ons naar de rivier brengt. Onderweg pikken we nog wat anderen op en na een uurtje stuiteren komen we met 9 personen en 3 instructeurs aan bij het beginpunt van de tocht.
De groep bestaat uit: ons vieren, een dubbelganger van John Lennon, een kettingrokende vrouw van een jaar of 60, een Belg, een Engelsman en een vreemde kerel met een flowerpower zonnebril. De groep moet verdeeld worden over 2 rafts en wij besluiten snel aan te pappen met de Belg, wat een erg sympathieke kerel blijkt te zijn. Hij reist alleen en is speciaal voor deze raft-experience teruggekomen te zijn naar dit plaatsje. Het zal dan ook wel iets heel aparts zijn, wat ons te wachten staat.
De kettingroker bergt haar sigaretten veilig op in een waterdicht diepvrieszakje en vraagt de instructeur deze voor haar te bewaren voor de lunchpauze halverwege de tocht. John Lennon besluit met gevaar voor eigen leven zijn gigantische bril op te houden en ondertussen maak ik me zorgen over het ontbreken van het touwtje in mijn zwembroek.
De instructies die we krijgen zijn behoorlijk uitgebreid. Niet zozeer omtrent hoe we moeten peddelen, maar wel over wat te doen als je overboord vliegt, de raft omslaat en je eronder terecht komt, en wat je allemaal kunt doen om niet te verzuipen in deze kolkende watermassa.
Na een minuut of 20 zitten we allemaal met een peddel in onze handen “aan boord” te wachten op wat komen gaat. Er gaat 1 kano mee die mensen veilig en snel uit het water kan pikken en een om onderweg foto’s te maken van deze kamikaze actie.
In totaal varen we ongeveer 20 kilometer over een van de wildste rivieren die ik ooit gezien heb. We krijgen instructies van de instructeur die ons door de “rapids” probeert te loodsen, maar het is geen uitzondering dat er net zoveel water in de raft zit als erbuiten. De rapids variëren tussen klasse 2 en 5+. Klasse 2 is een behoorlijke stroomversnelling en 5+ is een regelrechte bijna-dood-ervaring. Een golf van een meter of 3 hoog zorgt ervoor dat de voorkant van de raft volledig de lucht in wordt geduwd om 2 seconden erna naar beneden te vallen om vervolgens de volgende (nog hogere) golf te incasseren. Ik zit links vooraan in de raft samen met de Belg en wij hebben als taak tegelijkertijd te roeien en te zorgen voor de voortstuwing van het gevaarte. Iets wat mij volledig nutteloos lijkt, want er is geen kruid gewassen tegen de kracht van deze rivier. Onderweg vraag ik me een aantal keren af hoe John Lennon en de kettingrookster het er vanaf brengen, want als het voor ons al zwaar is…
Na een uurtje spartelen leggen we aan voor de lunch. Wonderbaarlijk genoeg komen er een aantal droge etenswaren uit de afsluitbare tassen van de kano’s, iets wat je niet voormogelijk houdt als de verzopen katjes ziet die uit de raft klauteren.
De sigaretten van de kettingrookster hebben het ook overleefd, dus tijd voor een paffie. John Lennon gaat op onderzoek uit in de natuur terwijl de rest de natte kleren te drogen hangt in de zon. Na het eten nog net tijd voor 2 sigaretjes voor de kettingrookster en dan kunnen we verder.
Onderweg worden foto’s gemaakt door de tweede kanoman die luistert naar de naam “Red Bull”. Hij heeft een beetje het uiterlijk van een indiaan, vandaar dat “Rode Stier” waarschijnlijk deze bijnaam heeft gekregen, die overigens ook nog eens wordt bevestigd door de sticker van het bekende drankje op zijn helm. Veel foto’s hebben we trouwens niet overgehouden aan dit avontuur. Rode Stier laat namelijk zijn camera in het water donderen, wanneer we bijna op het einde zijn. Ze proberen het apparaat nog op te duiken, wat natuurlijk een totaal nutteloze actie is in zo’n snelstromende rivier en een camera die niet waterdicht is.
In een van de laatste rapids is het dan toch zover. Ik incasseer een megagolf van een meter of 3 hoog en mijn voet schiet uit de lus die ervoor moet zorgen dat ik een beetje stevig op de rand blijf zitten. Het devies als je overboord slaat is om het touw aan de zijkant vast te houden totdat we in veiliger water zijn. Met mijn ogen dicht vind ik het touw maar dat kan niet voorkomen dat ik achterover in het water vlieg. Met een hand hang ik aan het touw, buiten de boot, met een sloot water in mijn ogen. Gek genoeg ben je heel je coördinatie kwijt op zo’n moment. Ik dacht dat ik achterover uit de raft sloeg, maar toen ik mijn ogen weer open kreeg, bleek dat ik aan de voorkant dreef. Mijn roeimaten hijsen me weer aan boord en we peddelen rustig verder naar het einde van de tocht.
Wat een superervaring!! De tijd is echt omgevlogen en met z’n allen zouden we graag de dag erna nog een keer willen… We proberen nog iets voor elkaar te krijgen doordat Rode Stier alias Lompe Koe ervoor heeft gezorgd dat we geen bewijsmateriaal hebben van onze heldendaden, maar helaas trapt de organisatie daar niet in.
Friday, February 13, 2009
dag 14: zondag 8 februari
Vandaag gaan we wandelen. Er liggen hier een aantal typisch Colombiaanse dorpjes in de buurt die bijna allemaal op de Colombiaanse lijst van monumenten staan. Ze bestaan smalle, steile weggetjes tegen de helling met aan beide zijden kleine huisjes van ongeveer 500 jaar oud.
In het dorpje drinken we een pilsje (het is tenslotte al bijna 1 uur) en kijken we een beetje rond op het dorpsplein. Grappig is dat hier een heleboel stenen voorzien zijn van fossielen. Het blijkt dat 19 miljoen jaar geleden dit gedeelte van “Colombia” onder de zeespiegel lag en dit is terug te zien aan de versteende afdrukken van schelpen, vissen en andere ondefinieerbare wezens…
In het dorpje drinken we een pilsje (het is tenslotte al bijna 1 uur) en kijken we een beetje rond op het dorpsplein. Grappig is dat hier een heleboel stenen voorzien zijn van fossielen. Het blijkt dat 19 miljoen jaar geleden dit gedeelte van “Colombia” onder de zeespiegel lag en dit is terug te zien aan de versteende afdrukken van schelpen, vissen en andere ondefinieerbare wezens…
Eigenlijk is het ook wel warm. Onderweg heb ik mijn t-shirt uitgedaan en over mijn schouders gehangen om de brandschade nog enigszins te beperken, maar tegen de tijd dat we in het dorp aankomen is het zeker een graad of 30. Eigenlijk hebben we ook geen zin om “dat hele eind” nog terug te lopen. In het winkeltje waar we een pilsje kopen, informeren we naar een bus terug naar het dorp waar we vandaan komen, maar deze blijkt pas 2.5 uur later te vertrekken. Beetje jammer, maar dan zullen we ons maar zolang moeten vermaken in dit uitgestorven gat. Of toch niet? Aan de overkant van het plein staat een wagen met een houten opbouw in de laadbak. Een soort antieke pick-up truck. Hector en Natalia checken waar deze naartoe gaat, want misschien hebben we geluk en kunnen we meerijden. En ja hoor, de bestemming is hetzelfde als de onze en we mogen achterin de laadbak plaatsnemen…samen met de rest van de familie van de chauffeur. Een paar minuten later zitten we met een man of 10 op een oud tweepersoons matras. M’n knieën in mijn nek, uitkijkend over de steile weg naar beneden (de truck rijdt omhoog). De familie heeft de grootste lol. Oma vertelt verhalen over dat ze al bijna 50 jaar getrouwd is met het enige varken op de boerderij. Er wordt hard gelachen door iedereen, behalve door mij natuurlijk want ik snap geen snars van het hele verhaal. Aan het einde van de rit duw ik al mijn ingewanden weer naar de juiste positie en ontvouw ik me uit de laadbak. Een paar peso’s voor de chauffeur, even vriendelijk zwaaien, en we zijn waar we moeten zijn.
’s Middags gaan we lunchen in een restaurantje dat gespecialiseerd is in gerechten met mieren. Dit werd ons aangeraden door de eigenaar van de hostel en hij vertelt dat dit een typische lekkernij uit deze regio is. Gefrituurde mieren… Qua formaat zijn ze denk ik ongeveer te vergelijken met een behoorlijke wesp of bij (pak de grootste maar) en qua smaak zijn ze vergelijkbaar met een stuk houtskool uit een geblust kampvuur. In al mijn gulheid sta ik mijn mieren af aan degenen die ze wel binnen kunnen houden.
Aan het einde van de middag gaan we op zoek naar een waterval van 70 meter hoog in de buurt. We volgen de routebeschrijving, een verharde weg het dorp uit. Na ongeveer 15 kilometer verandert het asfalt in een zandweg en weer een paar kilometer later verandert de zandweg in een soort hindernisbaan voor alles dat geen vierwielaandrijving heeft. We krijgen toch wel onze twijfels of deze weg ons leidt naar deze adembenemende toeristische attractie en onderweg vragen we de lokale bevolking of we wel echt op de goede weg zitten. Waterval? Hier? Nog nooit van gehoord! Eigenwijs als we zijn volgen we toch onze GPS en rijden verder. Een paar kilometer later vragen we het nogmaals en ook zij hebben nog nooit van een waterval gehoord. Ook al is de persoon die we het vragen laveloos bezopen, misschien toch maar goed om aan te nemen dat er dan ook echt geen waterval is… We draaien maar om, want het begint ook al donker te worden.
Die dronken mensen op zondagmiddag is trouwens een verhaal apart. Zondag is hier “pay day”. De arbeiders werken hier 6 dagen per week en op zondag worden ze uitbetaald voor het werk van de afgelopen week. De zondag bestaat voor hen uit het ’s ochtends naar de kerk gaan en misschien alvast in voren biechten, want vanuit de kerk gaat het direct door naar de kroeg. Hier wordt zo ongeveer het hele salaris dat niet nodig is voor voedsel er in een paar uur doorheen gezopen. Het resultaat is dat op het einde van de dag iedereen straalbezopen is, wat de sfeer er ook niet beter op maakt.
Het avondeten bestaat uit een overheerlijk stuk vlees van een straatbarbecue en we eindigen in een kroeg waar we maar weer een flesje rum burgemeester maken.
Tuesday, February 10, 2009
dag 13: zaterdag 7 februari
Een reisdag. We rijden van Santa Marta naar San Gil wat ongeveer net zover is als vanaf Eindhoven naar Zuid-Frankrijk. Om vier uur gaat de wekker en een uurtje later zit ik achter het stuur om het eerste gedeelte te rijden. Na 5 uur rijden wordt ik afgelost en neemt de volgende plaats achter het stuur. De rest van de dag bestaat uit een beetje slapen achterin de auto, wakker worden als het asfalt even plaats maakt voor zand en stenen, en prachtige uitzichten van de vallei waar we doorheen rijden. ’s Avonds laat komen we aan in San Gil, bij het hostel dat we de dag ervoor alvast betaald hebben.
Het hostel heeft ongeveer 10 kamers die allen bezet worden door back-packers. We krijgen een rondleiding langs onze kamers en de badkamer die we moeten delen met de overige gasten. Een badkamer heeft 1 kraan, war garant staat voor een koude douche en de tweede badkamer heeft een elektrische douchekop die, als je de kraan met voldoende gevoel behandelt, kan zorgen voor water dat net iets minder koud is.
De kamers zijn voorzien van minder luxe dan een Nederlandse cel in een gevangenis, maar gelukkig hoeven we hier alleen maar te slapen. Er staat een bed op en…oh nee, eigenlijk staat er alleen een bed. Onze deur is voorzien van een soort traliewerk aan de bovenzijde die zorgt voor de frisse lucht gedurende de nacht. Helaas komt er niet alleen frisse lucht maar ook geluid via dit gat naar binnen. Onze kamer bevindt zich op de begane grond, waar tevens de pokertafel, de computers en de hangmatten zich bevinden.
’s Avonds kunnen we live meegenieten van een gesprek via Skype tussen een van de back-packers en zijn vriendin, die in het Engels al hun relatieproblemen met de rest van het hostel delen. De jongen heeft een koptelefoon op en is zich duidelijk niet bewust van het feit dat hij nogal hard praat. Ze wil met hem naar bed, maar hij wil (nog) niet. Hij wil de relatie duurzaam opbouwen en hecht net zoveel waarde aan een goed gesprek als sex. Dit gaat zo ongeveer 2 uur door totdat een van de andere gasten er genoeg van heeft en hard op zijn deur bonst om te laten merken dat hij deze zaken maar moet bespreken als hij weer op minder dan 15000km afstand van haar is…
Het is 2 uur ’s nachts, de internetverbindingen worden afgesloten en dat biedt ons de mogelijkheid om ook even een uiltje te knappen.
Het hostel heeft ongeveer 10 kamers die allen bezet worden door back-packers. We krijgen een rondleiding langs onze kamers en de badkamer die we moeten delen met de overige gasten. Een badkamer heeft 1 kraan, war garant staat voor een koude douche en de tweede badkamer heeft een elektrische douchekop die, als je de kraan met voldoende gevoel behandelt, kan zorgen voor water dat net iets minder koud is.
De kamers zijn voorzien van minder luxe dan een Nederlandse cel in een gevangenis, maar gelukkig hoeven we hier alleen maar te slapen. Er staat een bed op en…oh nee, eigenlijk staat er alleen een bed. Onze deur is voorzien van een soort traliewerk aan de bovenzijde die zorgt voor de frisse lucht gedurende de nacht. Helaas komt er niet alleen frisse lucht maar ook geluid via dit gat naar binnen. Onze kamer bevindt zich op de begane grond, waar tevens de pokertafel, de computers en de hangmatten zich bevinden.
’s Avonds kunnen we live meegenieten van een gesprek via Skype tussen een van de back-packers en zijn vriendin, die in het Engels al hun relatieproblemen met de rest van het hostel delen. De jongen heeft een koptelefoon op en is zich duidelijk niet bewust van het feit dat hij nogal hard praat. Ze wil met hem naar bed, maar hij wil (nog) niet. Hij wil de relatie duurzaam opbouwen en hecht net zoveel waarde aan een goed gesprek als sex. Dit gaat zo ongeveer 2 uur door totdat een van de andere gasten er genoeg van heeft en hard op zijn deur bonst om te laten merken dat hij deze zaken maar moet bespreken als hij weer op minder dan 15000km afstand van haar is…
Het is 2 uur ’s nachts, de internetverbindingen worden afgesloten en dat biedt ons de mogelijkheid om ook even een uiltje te knappen.
dag 12: vrijdag 6 februari
Vroeg uit de veren vandaag. Om 6 uur gaat de wekker en maken we ons klaar voor de boottocht naar de flamingo’s. Na ongeveer een uurtje rijden komen we aan bij een dorpje dat bestaat uit 3 huizen, een bouwval van een schuur en een paar lamme Colombianen, die een beetje chillen in een hangmat in de schaduw. Dit is de vertrekplaats van de “boot” richting de flamingo’s. De boot is een uitgeholde moeraseik van ongeveer 500 jaar oud, met een diameter van 2 meter. Also known as: kano.
Onze kapitein is een indiaan, die is voortgekomen uit een indiaan van de ene stam en een indiaan van een andere stam. Resultaat: trouble! Hij vertelt dat hij een tijd terug door 3 indianen uit de ene stam het ziekenhuis is ingeslagen omdat hij verliefd is op een meisje. Maar omdat hij geen volbloed indiaan is, van een bepaalde tribe, wordt het niet toegestaan om zomaar te trouwen.
De kano wordt voortgestuwd op de manier zoals ook in Venetië wordt toegepast, en als we ver genoeg uit de kust zijn, wordt van een kano een zeilschip gemaakt. Er wordt een zeil uitgerold, dat bestaat uit aan elkaar genaaide zakken waar volgens mij het maïs in wordt vervoerd. Hieraan zijn 2 touwen bevestigd die ervoor zorgen dat we (lees: de halfbloed indiaan) ook nog een beetje kunnen sturen en na een uurtje varen zien we aan de horizon dan eindelijk een paar roze stipjes opdoemen. Onze kapitein stuurt ons behendig om de groep heen en we komen erg dichtbij totdat de groep besluit te gaan verkassen en opvliegt.
140 foto’s later zetten we de terugtocht in en gaan we op weg naar de schildpadden. Het verblijf van de schilpadden is een speciaal project dat op het moment dat wij aankomen net wordt gereinigd. Dit betekent dat de schildpadden in een soort uit de kluiten gewassen speciekuipen verblijven deze dag en voor mij niet veel aanleiding geven om hier foto’s van te maken.
De volgende stop na Santa Marta is een hostel in San Gil. Dit hebben we per e-mail gereserveerd, maar moet nog wel vooraf betaald worden om zeker te zijn van een slaapplaats. Dit hostel is aangesloten bij een keten, waarvan een dorp verderop ook een vestiging is. We stappen in de auto richting dit vissersdorp en na wat onverharde wegen en steile weggetjes, waarbij het zicht zich beperkt tot ongeveer 20 meter, komen we aan bij een back-packers hostel, boven op de heuvel.
Hier betalen we de eerste nacht en gaan we op zoek naar een restaurant om iets te eten. Aan de “boulevard” langs het strand zien we een pizzeria, en we bestellen de grootste pizza die maar te bestellen valt, met een doorsnede van ongeveer 50 centimeter. Terug in het appartement kom ik erachter dat ik in dit restaurant helaas mijn zonnebril heb laten liggen…
Straatverlichting kennen ze niet in dit gedeelte van de stad. De enige verlichting die de weg nog een beetje verlicht is die van het voetbalstadion. Geen hond te bekennen op het voetbalveld, de bevolking is hier straatarm, maaaarr…. Voetballen moet te allen tijde mogelijk zijn, dus deze verlichting brandt op volle toeren.
Onze kapitein is een indiaan, die is voortgekomen uit een indiaan van de ene stam en een indiaan van een andere stam. Resultaat: trouble! Hij vertelt dat hij een tijd terug door 3 indianen uit de ene stam het ziekenhuis is ingeslagen omdat hij verliefd is op een meisje. Maar omdat hij geen volbloed indiaan is, van een bepaalde tribe, wordt het niet toegestaan om zomaar te trouwen.
De kano wordt voortgestuwd op de manier zoals ook in Venetië wordt toegepast, en als we ver genoeg uit de kust zijn, wordt van een kano een zeilschip gemaakt. Er wordt een zeil uitgerold, dat bestaat uit aan elkaar genaaide zakken waar volgens mij het maïs in wordt vervoerd. Hieraan zijn 2 touwen bevestigd die ervoor zorgen dat we (lees: de halfbloed indiaan) ook nog een beetje kunnen sturen en na een uurtje varen zien we aan de horizon dan eindelijk een paar roze stipjes opdoemen. Onze kapitein stuurt ons behendig om de groep heen en we komen erg dichtbij totdat de groep besluit te gaan verkassen en opvliegt.
140 foto’s later zetten we de terugtocht in en gaan we op weg naar de schildpadden. Het verblijf van de schilpadden is een speciaal project dat op het moment dat wij aankomen net wordt gereinigd. Dit betekent dat de schildpadden in een soort uit de kluiten gewassen speciekuipen verblijven deze dag en voor mij niet veel aanleiding geven om hier foto’s van te maken.
De volgende stop na Santa Marta is een hostel in San Gil. Dit hebben we per e-mail gereserveerd, maar moet nog wel vooraf betaald worden om zeker te zijn van een slaapplaats. Dit hostel is aangesloten bij een keten, waarvan een dorp verderop ook een vestiging is. We stappen in de auto richting dit vissersdorp en na wat onverharde wegen en steile weggetjes, waarbij het zicht zich beperkt tot ongeveer 20 meter, komen we aan bij een back-packers hostel, boven op de heuvel.
Hier betalen we de eerste nacht en gaan we op zoek naar een restaurant om iets te eten. Aan de “boulevard” langs het strand zien we een pizzeria, en we bestellen de grootste pizza die maar te bestellen valt, met een doorsnede van ongeveer 50 centimeter. Terug in het appartement kom ik erachter dat ik in dit restaurant helaas mijn zonnebril heb laten liggen…
Straatverlichting kennen ze niet in dit gedeelte van de stad. De enige verlichting die de weg nog een beetje verlicht is die van het voetbalstadion. Geen hond te bekennen op het voetbalveld, de bevolking is hier straatarm, maaaarr…. Voetballen moet te allen tijde mogelijk zijn, dus deze verlichting brandt op volle toeren.
dag 11: donderdag 5 februari
Het is gaan stormen vannacht. We lagen in ons hangmatje, een beetje op en neer te wiegen op het ritme van de wind. Helaas heeft de wind geen ritme, dus het was vooral blijven liggen en proberen de dekens op z’n plaats te houden. Als de zon ons wakker maakt, blijkt dat het ontzettend regent. Gelukkig hebben we de dag ervoor “van hangmat gewisseld”. De hangmat waar ik oorspronkelijk in zou slapen is veranderd in een soort aquarium van waaruit het water naar beneden drupt. Eigenlijk komt het er op neer dat onze 4 hangmatten de enigen zijn die nog droog zijn.
Het is opvallend hoe een strand dat zo in een Bounty-reclame zou kunnen figureren, in 1 dag kan veranderen in een grauwe, grijze, trieste bedoeling. Het strand ligt vol met aangespoeld hout en zeewier en het zand is donkergrijs geworden van de troep die het strand op is geworpen. Hier zeggen ze: “from paradise to hell, in just one day”.
We pakken onze spullen in zodra het droog is, en verlaten het strand dat tot gisteren nog alles weg had van het paradijs op aarde. We lopen dezelfde weg terug als die ons 3 dagen eerder hier naartoe heeft geleid, en gelukkig kunnen we ook weer een paard vinden dat onze bagage door de blubber het oerwoud uit wil slepen. Drie dagen eerder zag het regenwoud eruit als een regenwoud. Een beetje Burgers Bush, maar dan écht! Nu is het pad veranderd in een blubberzooi van ongeveer 30 centimeter diep, waardoor de paarden zich een weg ploegen. Zelf proberen we zo goed en kwaad als het gaat een weg te vinden, en op een paar glijpartijen na, komen we redelijk ongeschonden uit de strijd.
Zodra we vanaf het strand het regenwoud in lopen, horen we vreemde geluiden hoog uit een boom. Hoog is hier overigens ook echt hoog, laten we zeggen een meter of 30 boven de grond. Bovenin de top van een palmboom zitten een paar kleine aapjes ruzie te maken. Aan het begin van het park hebben we een bord gezien waarop omschreven staat dat er een zeer zeldzame apensoort in dit gedeelte van het oerwoud leeft. Nou ja apen…eigenlijk zijn het aapjes. Ze zijn ongeveer 30 centimeter groot en als ze zouden luisteren, zouden ze reageren op: “Titi”. Deze apensoort wordt met uitsterven bedreigd en daarom uiteraard beschermd in dit gebied. We proberen met man en macht de beestjes vast te leggen op de gevoelige plaat, en misschien als ik mijn foto’s terugkijk en erg ver inzoom, ik er wel eentje uit kan halen. Ze springen van boom tot boom, zoals wellicht bekend uit de WNF-reclame (op de slow-motion na dan…)
We vervolgen onze weg richting de uitgang en onderweg vertelt een bagagekruier te paard ons dat het vanaf hier alleen nog maar erger wordt. Nog geen 2 minuten later komt er een karavaan van 3 paarden met bagage door de modder gestruind, richting de plek waar wij op dat moment spoorzoekertje aan het spelen zijn. Misschien goed om de ingrediënten van de modder iets wat nader toe te lichten. Het is een combinatie van zand, paardenpoep, ezelurine en water. Als je dit goed doorroert en even laat sudderen krijg je een vieze, grijze, zuigende massa, waar je dus liever niet mee in aanraking komt. De paarden hebben minder problemen met deze zooi en stampen vrolijk door. De spetters vliegen alle kanten op en wij kunnen nog net op tijd omhoog klimmen om het grootste gedeelte van de modderdouche te vermijden.
Een klein uurtje later zien we onze Volkswagen, die hier Colwagen heet, op de parkeerplaats staan en rijden we terug naar het appartement van de vriendin van de familie. Op de parkeerplaats hebben we de grootste rotzooi van onze voeten en benen gewassen, zodat we redelijk beschaafd het appartement betreden. Voor de volgende dag staat een boottocht op het programma, waarbij we op zoek gaan naar flamingo’s en schildpadden. Weltrusten…
Het is opvallend hoe een strand dat zo in een Bounty-reclame zou kunnen figureren, in 1 dag kan veranderen in een grauwe, grijze, trieste bedoeling. Het strand ligt vol met aangespoeld hout en zeewier en het zand is donkergrijs geworden van de troep die het strand op is geworpen. Hier zeggen ze: “from paradise to hell, in just one day”.
We pakken onze spullen in zodra het droog is, en verlaten het strand dat tot gisteren nog alles weg had van het paradijs op aarde. We lopen dezelfde weg terug als die ons 3 dagen eerder hier naartoe heeft geleid, en gelukkig kunnen we ook weer een paard vinden dat onze bagage door de blubber het oerwoud uit wil slepen. Drie dagen eerder zag het regenwoud eruit als een regenwoud. Een beetje Burgers Bush, maar dan écht! Nu is het pad veranderd in een blubberzooi van ongeveer 30 centimeter diep, waardoor de paarden zich een weg ploegen. Zelf proberen we zo goed en kwaad als het gaat een weg te vinden, en op een paar glijpartijen na, komen we redelijk ongeschonden uit de strijd.
Zodra we vanaf het strand het regenwoud in lopen, horen we vreemde geluiden hoog uit een boom. Hoog is hier overigens ook echt hoog, laten we zeggen een meter of 30 boven de grond. Bovenin de top van een palmboom zitten een paar kleine aapjes ruzie te maken. Aan het begin van het park hebben we een bord gezien waarop omschreven staat dat er een zeer zeldzame apensoort in dit gedeelte van het oerwoud leeft. Nou ja apen…eigenlijk zijn het aapjes. Ze zijn ongeveer 30 centimeter groot en als ze zouden luisteren, zouden ze reageren op: “Titi”. Deze apensoort wordt met uitsterven bedreigd en daarom uiteraard beschermd in dit gebied. We proberen met man en macht de beestjes vast te leggen op de gevoelige plaat, en misschien als ik mijn foto’s terugkijk en erg ver inzoom, ik er wel eentje uit kan halen. Ze springen van boom tot boom, zoals wellicht bekend uit de WNF-reclame (op de slow-motion na dan…)
We vervolgen onze weg richting de uitgang en onderweg vertelt een bagagekruier te paard ons dat het vanaf hier alleen nog maar erger wordt. Nog geen 2 minuten later komt er een karavaan van 3 paarden met bagage door de modder gestruind, richting de plek waar wij op dat moment spoorzoekertje aan het spelen zijn. Misschien goed om de ingrediënten van de modder iets wat nader toe te lichten. Het is een combinatie van zand, paardenpoep, ezelurine en water. Als je dit goed doorroert en even laat sudderen krijg je een vieze, grijze, zuigende massa, waar je dus liever niet mee in aanraking komt. De paarden hebben minder problemen met deze zooi en stampen vrolijk door. De spetters vliegen alle kanten op en wij kunnen nog net op tijd omhoog klimmen om het grootste gedeelte van de modderdouche te vermijden.
Een klein uurtje later zien we onze Volkswagen, die hier Colwagen heet, op de parkeerplaats staan en rijden we terug naar het appartement van de vriendin van de familie. Op de parkeerplaats hebben we de grootste rotzooi van onze voeten en benen gewassen, zodat we redelijk beschaafd het appartement betreden. Voor de volgende dag staat een boottocht op het programma, waarbij we op zoek gaan naar flamingo’s en schildpadden. Weltrusten…
dag 10: woensdag 4 februari
Na een onrustige nacht worden we wakker in het paradijs met een met een ochtendzonnetje op ons gezicht. Het ontbijt bestaat uit een soort cementachtige havermoutenpap, die we hebben meegenomen, samen met een pak melkpoeder. Ik krijg mijn kaken zo ongeveer niet meer van elkaar na de eerste hap, maar ik heb zo’n honger dat ik mijn bordje toch maar leeg eet.
Na dit feestmaal gaan we op stap richting een indianendorp dat tot voor 500 jaar geleden werd bewoond door zo’n 2000 indianen. Het dorp ligt bovenop de top van een van de heuvels in het park en het pad er naartoe bestaat uit een soort trap van rotsen dat zo’n 1500 jaar geleden door diezelfde indianen is aangelegd. Ik geloof dat de waterpas toen nog niet was uitgevonden en na een zware klim komen we aan bij een terrassencomplex waarop vroeger de hutten van deze Tayrone-indianen stonden.
De terrassen hebben een erg belangrijke functie in deze cultuur. Het water komt namelijk uit de top van de berg naar beneden gestroomd en deze terrassen zorgen ervoor dat iedereen het water krijgt waar hij recht op heeft. Een ingenieus systeem zorgt ervoor dat het water zich een weg naar beneden cirkelt totdat het laatste terras is bereikt. Op de bovenste etage van dit prehistorisch appartementencomplex woont de chief van de stam. Hij is de belangrijkste persoon van de “tribe” en heeft daarom recht op het meeste en het schoonste water. Naarmate het water zich een weg naar beneden zoekt, worden de indianen minder belangrijk en onderaan woonden de randgroep jongeren van deze stam. Zij hebben het moeten doen met het afvalwater van ongeveer 2000 anderen.
Na een zware afdaling over deze zelfde prehistorische trap, bij een graadje of 30, zijn we wel toe aan een lekker frisse douche. Helaas blijkt dat bij aankomst op de camping dat het water “op” is. Jawel, ook dat kan gebeuren. De douche wordt daarom verplaatst naar een stroompje dat in de zee uitkomt en een paar minuten later staan we, zoals de indianen 1000 jaar geleden, meet een stukje zeep tot onze knieën in het water, ons zo goed en zo kwaad als het gaat een beetje te wassen.
Het avondprogramma bestaat uit rum met 7up, beetje kletsen en zorgen dat alles voorbereidingen voor de nacht zijn getroffen voordat het donker wordt. Donker is hier ook echt donker. Geen straatlantaarns, geen reclameborden, slechts een kaars die ervoor moet zorgen dat ik met een beetje gevoel, mijn lenzen in het lenzendoosje krijg en mijn oogjes kan sluiten voor een volgende nacht in een hangmat.
Na dit feestmaal gaan we op stap richting een indianendorp dat tot voor 500 jaar geleden werd bewoond door zo’n 2000 indianen. Het dorp ligt bovenop de top van een van de heuvels in het park en het pad er naartoe bestaat uit een soort trap van rotsen dat zo’n 1500 jaar geleden door diezelfde indianen is aangelegd. Ik geloof dat de waterpas toen nog niet was uitgevonden en na een zware klim komen we aan bij een terrassencomplex waarop vroeger de hutten van deze Tayrone-indianen stonden.
De terrassen hebben een erg belangrijke functie in deze cultuur. Het water komt namelijk uit de top van de berg naar beneden gestroomd en deze terrassen zorgen ervoor dat iedereen het water krijgt waar hij recht op heeft. Een ingenieus systeem zorgt ervoor dat het water zich een weg naar beneden cirkelt totdat het laatste terras is bereikt. Op de bovenste etage van dit prehistorisch appartementencomplex woont de chief van de stam. Hij is de belangrijkste persoon van de “tribe” en heeft daarom recht op het meeste en het schoonste water. Naarmate het water zich een weg naar beneden zoekt, worden de indianen minder belangrijk en onderaan woonden de randgroep jongeren van deze stam. Zij hebben het moeten doen met het afvalwater van ongeveer 2000 anderen.
Na een zware afdaling over deze zelfde prehistorische trap, bij een graadje of 30, zijn we wel toe aan een lekker frisse douche. Helaas blijkt dat bij aankomst op de camping dat het water “op” is. Jawel, ook dat kan gebeuren. De douche wordt daarom verplaatst naar een stroompje dat in de zee uitkomt en een paar minuten later staan we, zoals de indianen 1000 jaar geleden, meet een stukje zeep tot onze knieën in het water, ons zo goed en zo kwaad als het gaat een beetje te wassen.
Het avondprogramma bestaat uit rum met 7up, beetje kletsen en zorgen dat alles voorbereidingen voor de nacht zijn getroffen voordat het donker wordt. Donker is hier ook echt donker. Geen straatlantaarns, geen reclameborden, slechts een kaars die ervoor moet zorgen dat ik met een beetje gevoel, mijn lenzen in het lenzendoosje krijg en mijn oogjes kan sluiten voor een volgende nacht in een hangmat.
Thursday, February 5, 2009
dag 9: dinsdag 3 februari
Vandaag staat dag 1 van Parque Tayrona op het programma. We zullen hier 3 dagen doorbrengen aan de Caribische kust en slapen in een hangmat (budgetvakantie). Parque Tayrona is een natuurreservaat waar de Tayrona Indianen oorspronkelijk woonden. We rijden naar de parkeerplaats op het natuurpark en bij de poort moeten we entree betalen.
$31.000 voor een buitenlander en $11.000 voor een Colombiaan. Ook al is een Colombiaanse peso erg weinig waard ($31.000 = €10), Nederlands als we zijn proberen we met onze blonde haren en blauwe ogen toch als Colombiaan te worden toegelaten. De man aan de poort trapt daar uiteraard niet in, want hij controleert elke auto van binnen en selecteert duidelijk op uiterlijk van de inzittenden. “dos Colombia en dos buitenlander” roept hij naar de caissière en we moeten gewoon de volle mep betalen.
Vanaf de parkeerplaats is het ongeveer een uur lopen naar de plaats waar we de eerste nacht door zullen brengen. We hebben alle spullen zo eerlijk mogelijk verdeeld over de rugzakken en zijn klaar voor de tocht. Een uur wandelen lijkt een eitje, maar door de jungle loopt een pad dat continu door draagezels wordt gebruikt voor het vervoeren van spullen. Dit in combinatie met een luchtvochtigheid van ongeveer 90%, zorgt ervoor dat het “pad” eigenlijk een soort uitgesleten koof is, gevuld met een laag modder van ongeveer 30 centimeter diep.
Gepakt en gezakt staan we klaar bij het bord waarop een beschrijving van het park staat en onze route begint. Naast dit bord staat tevens een stal gevuld met ezels en paarden, die blijkbaar te huur zijn. Na een beetje navraag blijkt dat zo’n beest je spullen voor $16.000 (iets meer dan €5), naar de andere kant van het park sjouwt. Hier hoeven we natuurlijk niet lang over te vergaderen en kort daarna staat er een paard met hierop twee juten zakken met hierin al onze spullen klaar om voor ons uit te lopen. Zijn begeleider jaagt hem de rimboe in en het paard volgt trouw zijn collega’s die met twee lokale inwoners tevens dezelfde kant op moeten.
We proberen een weg te vinden langs de zijkanten van deze moddertoestand, om zo schoon mogelijk aan te komen. Een schitterend park, echt zoals ik me een jungle had voorgesteld en zoals op tv altijd wordt laten zien. Een beetje Burgers Zoo, maar dan echt… Bomen met een doorsnede van meer dan 2 meter, hoger dan een gemiddelde flat in Nederland. Vlinders zo groot als mijn hand en geluiden van vogels, apen en niet herkenbare andere beesten maken de tocht voor mij echt tot een geweldige ervaring.
Na iets meer dan een uur komen we aan in het eerste kamp waar we van plan waren de nacht door te brengen en van waaruit we de volgende dag verder zouden lopen. Doe even je ogen dicht en zie het volgende voor je: een wit strand, een helder blauwe zee, palmbomen van 20 meter hoog en dit alles aan de rand van een oerwoud van duizenden jaren oud. Zo ziet de kust van Parque Tayrona eruit. Do I need to say more??
We besluiten over het strand verder te lopen naar het tweede kamp. Helaas ging de bagage maar tot het eerste kamp, althans het paard dat het droeg, dus vanaf hier moeten we het zelf verder sjouwen. Het zand van het strand is ongeveer een graadje of 50 door de zon, dus de kunst is om zo snel mogelijk met bagage op je rug naar de zee te rennen, voor wat verkoeling aan de voetzolen.
Onderweg gooien we rugzakken even van ons af en nemen een frisse duik in de oceaan. Vanaf hier is het nog maar 15 minuten lopen naar de camping waar we in een hangmat zullen huren voor 2 nachten.
Op de camping staan een paar hutten waarin hangmatten hangen. Een typische plek voor back packers die er dan ook in grote getale aanwezig zijn. Ongeveer 50 meter uit de kust steekt een rotsenpartij boven het water uit, en op de top hiervan is een soort kiosk gebouwd. Ook hierin hangen hangmatten die tevens te huur zijn, maar daarvoor moet je $3.000 (€1) extra betalen. 10 minuten later liggen we dan in ons hangmatje uitkijkend over de oceaan te genieten van een plastic bekertje rum-7up.
$31.000 voor een buitenlander en $11.000 voor een Colombiaan. Ook al is een Colombiaanse peso erg weinig waard ($31.000 = €10), Nederlands als we zijn proberen we met onze blonde haren en blauwe ogen toch als Colombiaan te worden toegelaten. De man aan de poort trapt daar uiteraard niet in, want hij controleert elke auto van binnen en selecteert duidelijk op uiterlijk van de inzittenden. “dos Colombia en dos buitenlander” roept hij naar de caissière en we moeten gewoon de volle mep betalen.
Vanaf de parkeerplaats is het ongeveer een uur lopen naar de plaats waar we de eerste nacht door zullen brengen. We hebben alle spullen zo eerlijk mogelijk verdeeld over de rugzakken en zijn klaar voor de tocht. Een uur wandelen lijkt een eitje, maar door de jungle loopt een pad dat continu door draagezels wordt gebruikt voor het vervoeren van spullen. Dit in combinatie met een luchtvochtigheid van ongeveer 90%, zorgt ervoor dat het “pad” eigenlijk een soort uitgesleten koof is, gevuld met een laag modder van ongeveer 30 centimeter diep.
Gepakt en gezakt staan we klaar bij het bord waarop een beschrijving van het park staat en onze route begint. Naast dit bord staat tevens een stal gevuld met ezels en paarden, die blijkbaar te huur zijn. Na een beetje navraag blijkt dat zo’n beest je spullen voor $16.000 (iets meer dan €5), naar de andere kant van het park sjouwt. Hier hoeven we natuurlijk niet lang over te vergaderen en kort daarna staat er een paard met hierop twee juten zakken met hierin al onze spullen klaar om voor ons uit te lopen. Zijn begeleider jaagt hem de rimboe in en het paard volgt trouw zijn collega’s die met twee lokale inwoners tevens dezelfde kant op moeten.
We proberen een weg te vinden langs de zijkanten van deze moddertoestand, om zo schoon mogelijk aan te komen. Een schitterend park, echt zoals ik me een jungle had voorgesteld en zoals op tv altijd wordt laten zien. Een beetje Burgers Zoo, maar dan echt… Bomen met een doorsnede van meer dan 2 meter, hoger dan een gemiddelde flat in Nederland. Vlinders zo groot als mijn hand en geluiden van vogels, apen en niet herkenbare andere beesten maken de tocht voor mij echt tot een geweldige ervaring.
Na iets meer dan een uur komen we aan in het eerste kamp waar we van plan waren de nacht door te brengen en van waaruit we de volgende dag verder zouden lopen. Doe even je ogen dicht en zie het volgende voor je: een wit strand, een helder blauwe zee, palmbomen van 20 meter hoog en dit alles aan de rand van een oerwoud van duizenden jaren oud. Zo ziet de kust van Parque Tayrona eruit. Do I need to say more??
We besluiten over het strand verder te lopen naar het tweede kamp. Helaas ging de bagage maar tot het eerste kamp, althans het paard dat het droeg, dus vanaf hier moeten we het zelf verder sjouwen. Het zand van het strand is ongeveer een graadje of 50 door de zon, dus de kunst is om zo snel mogelijk met bagage op je rug naar de zee te rennen, voor wat verkoeling aan de voetzolen.
Onderweg gooien we rugzakken even van ons af en nemen een frisse duik in de oceaan. Vanaf hier is het nog maar 15 minuten lopen naar de camping waar we in een hangmat zullen huren voor 2 nachten.
Op de camping staan een paar hutten waarin hangmatten hangen. Een typische plek voor back packers die er dan ook in grote getale aanwezig zijn. Ongeveer 50 meter uit de kust steekt een rotsenpartij boven het water uit, en op de top hiervan is een soort kiosk gebouwd. Ook hierin hangen hangmatten die tevens te huur zijn, maar daarvoor moet je $3.000 (€1) extra betalen. 10 minuten later liggen we dan in ons hangmatje uitkijkend over de oceaan te genieten van een plastic bekertje rum-7up.
Subscribe to:
Posts (Atom)